Natuurlijke selectie
Natuurlijke selectie is het proces waarbij soorten zich aanpassen aan hun omgeving. Natuurlijke selectie werd voor het eerst voorgesteld door Charles Darwin en maakt tegenwoordig een belangrijk deel uit van de evolutietheorie.
Werking
In de biologie heb je te maken met populaties. Een populatie is een groep organismen (individueën) van dezelfde soort die zich onderling kunnen voortplanten. Een populatie is bijvoorbeeld alle vossen in een bos, of alle goudvissen in een vijver.
Om natuurlijke selectie te begrijpen, moet je drie basisprincipes kennen:
- Het leven is zwaar. Het is voor individueën elke dag een strijd om te blijven leven.
- Alle individueën binnen een populatie verschillen van elkaar.
- Een individu lijkt altijd op zijn ouders (overerving).
Elk individu is anders. Dat wil zeggen dat het ene individu net andere eigenschappen heeft (bijvoorbeeld vachtkleur of snavelgrootte) dan het ander. Sommige eigenschappen helpen een individu beter te overleven, terwijl andere eigenschappen juist minder handig zijn. De individueën met de voordelige eigenschappen hebben een grotere overlevingskans (de kans dat ze overleven), waardoor het waarschijnlijk is dat vooral individueën met de voordelige eigenschappen kindjes zullen maken. Individueën die eigenschappen hebben die minder goed zijn aangepast aan de omgeving, zullen waarschijnlijk sterven en geen kindjes krijgen. Als de voordelige eigenschap wordt doorgegeven aan de nakomelingen (de kindjes), zullen ook deze nakomelingen een grote overlevingskans hebben en zich voortplanten. Dat gebeurt steeds opnieuw na elke generatie, waardoor de populatie er anders uitziet dan eerst. De soort heeft zich geëvolueerd.
Een voorbeeld van een diersoort die door de jaren heen is veranderd, is de giraffe. De giraffe had vroeger niet zo'n lange nek als nu. Elke giraffe was gelukkig anders. Er waren bijvoorbeeld verschillen in de neklengte. De giraffen met langere nekken konden de blaadjes aan de hoge bomen beter bereiken. Vooral deze giraffen overleefden en kregen kindjes. Giraffen met minder lange nekken hadden kennelijk niet evenveel voedsel, waardoor ze eerder stierven en geen kindjes kregen. Omdat de giraffen met de langste nekken steeds weer overleefden en kinderen kregen, en die kinderen ook beter overleefden en zelf kinderen met lange nekken kregen, zien we de lange giraffen van vandaag.
Ook de Homo habilis is zo uitgegroeid tot de Homo sapiens (via de Homo erectus).